logo Tria-design & Amira jewels
Jekerstraat 138
NL-7523VS-Enschede
T.: 0031.53.4321680
M.: 0031626388992
E-mail: iinfo@tria-design.nl

Lodewijk Willem IV (Louk) van Kooten werd op 22 mei 1946 geboren als zoon en enig kind van de Amsterdamse juwelier en kunstenaar Lody van Kooten (*1903/+1972) en de pianiste Appy Rühland (*1911/+1992). Hoewel zijn ouders geen belijdende antroposofen waren, is een antroposofische achtergrond duidelijk aanwezig.

Zo is hij van vaders kant familie van de schrijver Albert Verwey, de naaldkunstenares Margaretha Verwey, de kunstschilder Kees Verwey, de bankiers & uitgeversfamilie Mees, en de architect Hendrik Petrus Berlage, die allen een theosofisch/antroposofische achtergrond hebben gehad. Via zijn moeders o.a. met de familie Emmer, onder antroposofen bekend vanwege haar artsen en musici.

In dit ambachtelijke, creatieve en intellectuele milieu groeit hij op en het is nauwelijks verwonderlijk, dat hij al op zeer jeugdige leeftijd bij zijn vader in het huiseigen goudsmid en grafische atelier in de leer gaat.

Aan het einde van de jaren vijftig verblijft hij enkele zomers achtereen in Schoorl, waar hij op diens zomeradres door de kunstschilder Kees Verwey verder in de technieken van schilderen en aquarelleren wordt ingevoerd.

Ook in deze periode, gaat hij in de leer bij de kunstschilder en tevens oud leraar van zijn vader Lody, de inmiddels in Bergen (NH) woonachtige Jan Koeman. In Blaricum komt hij eveneens met verschillende kunstenaars in aanraking, allen oude bekenden van zijn vader, die gedurende bijna de gehele dertiger jaren secretaris-penningmeester is geweest van de z.g. Larense Schilderskring en in deze functie o.a. kunstexposities heeft georganiseerd in het bekende hotel Hamdorff.

Na een wat ziekelijke jeugd, waarin hij geplaagd wordt door een chronische bronchitis, en diverse long- en middenoorontstekingen, gaat hij als tiener naar het eiland Texel, waar zijn ouders een tweede huis bezitten en hij deze problemen snel te boven komt.

Hier bezoekt hij de HBS, die echter nauwelijks een echt succes wordt; hij blijkt meer geïnteresseerd in tekenen, schilderen en (architectonisch) ontwerpen. Na deze schoolperiode gaat hij bij zijn vader in het ouderlijke juweliersbedrijf, dat midden jaren zestig eveneens vanuit Amsterdam naar Texel was verhuisd, in de leer en sluit deze studie binnen 2 jaar zeer succesvol af.

In deze tijd ontwerpt hij o.a. zilverwerk en sieraden, maar ook andere zaken, zoals de feestverlichting voor Den Burg en de inrichting van diverse winkels, waaronder die voor het ouderlijke juweliersbedrijf en volgt een studie architectuur.

Na enkele jaren in het buitenland stage te hebben gelopen, deels bij bekende juweliershuizen, leert hij op een skivakantie in Oostenrijk zijn eerste vrouw kennen en treedt nog datzelfde jaar te Wenen in het huwelijk. Hieruit worden twee kinderen geboren, in 1972 een dochter en in 1975 een zoon. Het huwelijk strandt en wordt in 1984 ontbonden.

Na zijn scheiding besluit hij -het bloed kruipt toch waar het niet gaan kan- definitief van kunst zijn beroep te maken en volgt hiertoe o.a. enkele jaren een aanvullende opleiding aan de academie voor beeldende kunst AKI te Enschede. Hier begeeft hij zich in de richtingen fotografie, grafische vormgeving, architectuur en illustratie.

Na nog enkele jaren aanvullende management en organisatieopleidingen op HBO niveau te hebben gevolgd, heeft hij zich in 1991 als zelfstandige grafisch en architectonisch vormgever en vrij beeldend kunstenaar onder de firmanaam TRIA-DEsign te Enschede gevestigd. Zijn oeuvre kenmerkt zich door een zeer breed patroon en omvat dientengevolge: exclusieve sieraden, architectonische en grafische ontwerpen, fotografie, illustratiewerk, schetsen, pentekeningen, e.d.

Een nieuwe ontwikkeling zijn de wand en glasobjecten, gecombineerd met fotowerk, die hij deels samen met het glasatelier ‘het Lugtkasteel’ te Losser ontwikkelt en vervaardigt.

Daarnaast maakt hij sinds 2003 nadrukken van etsen van zijn vader Lody, o.a. voor de bekende Weense galerie en uitgeverij Wolfrum. Ook heeft hij hierover gepubliceerd. Zoals bijvoorbeeld in het Duitse vaktijdschrift Graphische Kunst, uitgegeven bij Curt Visel Verlag te Memmingen.

Tussen 1998 en 2004 woonde hij, samen met zijn nieuwe partner Maria Hofer, afwisselend te Wenen/Oostenrijk en Enschede/Nederland. Ook exposeerde hij regelmatig in beide landen met foto & schilderwerk, sieraden en kleine sculpturen.

Na haar pensionering eind 2003 en definitieve verhuizing naar Nederland, heeft hij per 1 februari 2004 een eigen atelier en galerie in Delden geopend, waar hij zijn complete oeuvre tentoonstelt.

Deze galerie ontwikkelde zich echter zodanig, dat het pand te klein werd en na bijna vier jaar naar een nieuwe locatie moest worden omgezien. Deze werd eind 2007 in het centrum van Enschede in de Walstraat 63 gevonden.

Hier kon hij samen met Maria op 3 november 2007 een veel grotere galerie en atlier openen en biedt ook regelmatig aan andere kunstenaars de gelegenheid om te exposeren.


Maria-Beatrix Hofer-Österreicher (Maria Hofer) is in 1947 te Wenen (Oostenrijk) geboren. Haar vader heette niet alleen Oostenrijker (Österreicher), maar was ook Oostenrijker en als werktuigkundig ingenieur werkzaam bij de Oostenrijkse spoorwegen. Haar moeder heette Barta en was als Tsjechische in Praag geboren.

Dit echtpaar kreeg twee kinderen, een zoon in 1938 en een dochter in 1947.

Na een gelukkige jeugd heeft Maria nog tijdens haar studie Betriebswirtschaft (bedrijfseconomie) haar eerste echtgenoot leren kennen en haar aanstelling gekregen bij de Niederösterreichische Landes Landwirtschaftskammer, waar zij tot aan haar pensionering in december 2003 op de personeelsafdeling en in de loonadministratie  heeft gewerkt.

Naast haar werk heeft zij zich echter al vele jaren met het ontwerpen en vervaardigen van kunstnijverheid en met name sieraden bezig gehouden en na haar pensionering van deze hobby haar nieuwe metier gemaakt.

Maria Hofer en Louk van Kooten hebben zich ongeveer twee jaar na het vroegtijdig overlijden van haar eerste man in Oostenrijk leren kennen en het bleek al snel dat deze verbintenis voor beide zeer positief zou zijn.

Toen zij eind 2003 definitief met vervroegd pensioen kon gaan heeft zij ook geen moment getwijfeld, doch is vanuit Oostenrijk naar Nederland verhuisd en heeft daarmee het openen van Louk’s atelier & galerie eerst mogelijk gemaakt. Hier vond zij de rust en mogelijkheid om haar creatieve ader weer te activeren, hetgeen tot een enorme collectie edelsteen en parel colliers heeft geleid. Daarnaast vervaardigd zij momenteel ook exclusieve stoffen avondtasjes uit fluweel en brokaat en maakt klein decoratiewerk voor Kerstmis en Pasen.

Vooral echter heeft zij sinds eind 2004 furore gemaakt met haar in goud, zilver en koperdraad gehaakte, gebreide en gepunnikte colliers, waarin edelstenen en parels zijn verwerkt.

Hiermee exposeert zij niet alleen in de eigen galerie, doch staan er tevens voor de komende jaren een aantal exposities in Oostenrijk, Hongarije, Slovenië en Tsjechië op stapel.


Lodewijk Willem III (Lody) van Kooten werd geboren te Amsterdam op 29 april 1903, Nieuwe Spiegelstraat 32, als zoon van de goudsmid en juwelier Lodewijk Willem II (Louis) van Kooten (*1876/+1949) en de handwerkonderwijzeres en zakenvrouw Elisabeth Georgine Meijer (*1876/+1946), dochter uit een Amsterdamse zilversmidfamilie.

 

Het gezin verhuisde in mei 1904 naar de Kerkstraat 150 te Amsterdam, meteen om de hoek van de Nieuwe Spiegelstraat.

Louis’ moeder, Anna Maria Verwey (*1844/+1911), weduwe van Lodewijk Willem I (Lodewijk) van Kooten, bijoutier, vond in dit pand tevens genoeg ruimte en bleef hier tot haar dood eveneens wonen.

Daar dit pand aan de Kerkstraat veel groter was dan dat aan de Nieuwe Spiegelstraat, kon ook het atelier hierheen worden verplaatst. Het kon bovendien werkruimte bieden aan minstens 20 personen.

Van 1909 tot 1915 bezoekt de jonge Lody de Spiegelschool, gelegen aan het begin van de Overtoom nabij het Leidse Bosje en vervolgt zijn opleiding aan de Openbare Handelsschool op het Raamplein, een HBS met een 4-jarige cursus. Hier is hij een middelmatige leerling, met als uitschieter echter alle jaren een 10 voor tekenen.

Gedurende deze schoolperiode heeft hij veel contacten met zijn tante Margaretha Verwey (een zuster van de schrijver Albert Verwey). Haar handwerkwinkel is vrijwel om de hoek van zijn ouderlijke woning in de Nieuwe Spiegelstraat 64/66 gevestigd.

Het is vooral hier, dat Lody’s interesse voor kunst en creativiteit wordt opgewekt en het is ook Margaretha die hem adviseert naar de Rijksacademie te stappen en hier een opleiding te gaan volgen. Zo komt Lody als 16-jarige op de Stadhouderskade bij Professor Antoon Derkinderen terecht. Derkinderen is weer een goede kennis van Margaretha, van haar broer Albert en ook van vader Louis. De twee eerste zijn bovendien lid van de Wahanaloge van de Theosofische Faculteit te Amsterdam.

Ook de jonge Lody wordt sterk door deze gedachten beïnvloed.

Als Margaretha in 1920 naar Blaricum verhuist, is dit voor Lody, hierin gesteund door zijn vader Louis, een rede om zijn tante daar regelmatig te bezoeken. En het is hier, dat hij met diverse Larense en Blaricumse kunstenaars in contact komt, waaronder de jonge kunstschilder en etser Jan Koeman, die met zijn echtgenote aan de Torenlaan te Blaricum woonde.

De contacten met Jan Koeman verlopen zo positief, dat Lody binnen de kortste tijd de academie in Amsterdam vaarwel zegt en bij hem in de leer gaat. Hij doet dit in de weekeinden, want gedurende de normale werkdagen leert hij ondertussen bij zijn vader Louis en zijn oom Pieter Christoffel in het ouderlijke bedrijf in de Kerkstraat te Amsterdam het goud- en zilversmidvak.

Met name ook bij Jan Koeman raakt Lody met etstechnieken vertrouwd, weliswaar heeft hij ook op de academie zich hier al een korte tijd mee bezig gehouden, maar daar weinig mee kunnen doen.

Deze technieken weet hij zich zeer snel eigen te maken, waarschijnlijk hierin mede gesteund door zijn reeds behoorlijk aanwezige vakkennis op het gebied van metalen en graveertechnieken.

Eind 1919 lopen de eerste etsjes van de pers en de komende drie jaar zal hij met een aantal van ongeveer vijftig stuks hierin zeer productief zijn.

 

In 1922 vertrekt hij voor een studiereis naar Frankrijk. Hij trekt hierbij door heel Frankrijk en voorziet in zijn levensonderhoud door te tekenen, te schilderen en te etsen, en deze kunstproducten terplekke aan geïnteresseerden te verkopen. Bovendien wordt hij financieel gesteund met een maandelijkse toelage door zijn vader Louis, die zelf als 20 jarige eveneens naar Frankrijk was gereisd en daar vier jaar zijn opleiding als juwelier had aangevuld bij de beroemde Parijse juwelier Alphonse Fouquet.

Hij blijft tot 1925 in Frankrijk en uit deze periode stammen de eerste Franse etsen (o.a. Barbison, Fontainebleau, Avon, etc.).

 

Na zijn terugkeer naar Nederland in 1925 gaat hij zich meer toeleggen op het ontwerpen en vervaardigen van gesmede bronzen en zilveren gebruiksgoederen en kunstnijverheidsartikelen. Ook begint hij in deze periode met houtsnijwerk.

 

In 1928 wordt hem door zijn moeder een huwelijk opgedrongen met Albertine Anna Kok (*1907/+?), een vriendin van zijn jongere zuster Augusta Caroline (Guus) van Kooten (*1906/+1950). Dit huwelijk houdt echter nog geen jaar stand en wordt officieel gescheiden op 11 mei 1931 via de Rechtbank te Amsterdam.

 

Als huwelijksgeschenk krijgt Lody van zijn ouders een door Hendrik Petrus Berlage  (een goede vriend van de familie en tevens zwager van Albert Verwey) ontworpen huis met rieten kap in de dan heersende Engelse Landhuisstijl  aan de Blaricumse Torenlaan 31, “La Fulica”,  cadeau, waar hij met zijn echtgenote gaat wonen en ook na de scheiding blijft wonen.

Omstreeks deze tijd treedt hij toe tot de Larense Schilderskring, waarvan hij binnen korte tijd de rol van secretaris-penningmeester op zich neemt en in deze hoedanigheid meerdere kunstexposities organiseert in het bekende Larense Hotel Hamdorff. Hij zal deze functie, ondanks zijn enorm drukke werkzaamheden en buitenlandse periodes tot vlak voor het begin van de 2e wereldoorlog blijven vervullen.

 

Inmiddels heeft hij een behoorlijke productie van zilveren gebruiksvoorwerpen in de voor hem zeer specifieke handgesmede stijl, een mengeling van Nederlandse Nieuwe Stijl en Art Déco vervaardigt; een groot aantal schalen, dienbladen, bonbonschaaltjes, kandelaars, thee- en koffieserviezen, rookstellen, toiletstellen, asbakken, bekers en ook bestekwerk ziet in deze periode het daglicht.

In 1930 wordt hem via contacten van vader Louis verzocht enkele zilveren voorwerpen (bekers & schalen) in te zenden naar de 17e Biennale Venezia 1930, hiervoor ontvangt hij een “Diploma di Partecipatione”; zijn zilverwerk wordt als een vernieuwend succes gezien en alom geprezen.

 

Op 12 juli 1932 hertrouwt hij te Laren met Beatrice Mathilda Zwaan (*1910 te Chicago/†?). Dit huwelijk wil echter evenmin en eindigt weer met een officiële scheiding voor de Rechtbank te Amsterdam, en wel op 9 november 1939. Beide huwelijke zijn kinderloos gebleven.

 

Vanaf ca. 1930 werkt hij –naast de werkzaamheden in het ouderlijke bedrijf in Amsterdam en zijn kunstproductie in zijn woonhuis/atelier te Blaricum- tevens als technisch adviseur voor een bevriende Belgische zakenrelatie en oude Franse studievriend van vader Louis, de firma Wolfers Frère te Brussel. Dit zal hij tot 1939 met tussenpozen blijven doen.

 

Door deze Belgische situatie is hij heel erg veel tussen Nederland, België en ook Frankrijk onderweg en beschikt over zeer veel internationale contacten. Onder andere hierdoor wordt hem verzocht een inzending te doen naar de “Exposition Internationale des Arts & Techniques 1937”  te Parijs. Hier zendt hij slechts één voorwerp in, een zilveren bonbonnière. Hiermee valt hij echter wél in de prijzen, want dit ene stuk blijkt goed te zijn voor de zilveren medaille en het bijbehorende “Diplome de Medaille d’ Argent”.

 

Gedurende de jaren 1935 tot 1939 is hij vrijwel niet in Nederland, maar pendelt tussen Brussel –waar hij nog steeds als technisch adviseur bij Wolfers werkzaam is- en Parijs heen en weer.

In Parijs is hij een studie elektrotechniek aan de Sorbone begonnen. Deze wens werd hem ingegeven door de behoefte aan nog grotere deskundigheid op het gebied van galvanotechnieken, waarmee hij in Brussel veel te doen heeft. Binnen het kader van deze studie assisteert hij o.a. bij het installeren van een radiozender op het topje van de Eiffeltoren.

Ook in deze periode onderneemt hij een aantal grotere reizen. Zo voeren hem deze o.a. naar Zweden en Noorwegen, waar hij helemaal tot aan de Noordkaap komt en naar Nederlands-Indië, waar hij een oom in Batavia bezoekt.

Met de oorlogsdreiging en de komende scheiding van zijn tweede echtgenote voor ogen, besluit hij begin 1939 voorgoed naar Nederland terug te keren.

 

Hier meldt hij zich bij de vrijwillige weerdienst. Hij komt hierop als ordonnance terecht bij het Vrijwillige Landstormkorps Motordienst, dat was ondergebracht in Kasteel Lunenburg te Neerlangbroek en eigendom van een oude vriend van de familie, Baron Lynden van Sandenburg. Hij wordt hiervan ontheven door opheffing van dit korps door de “Duitschen Commissaris voor de demobilisatie van de Neederlandsche Weermacht” op 12 juli 1940.

 

Medio 1939 leert hij bij vrienden in Hilversum zijn 3e vrouw Alida Catharina Rühland (*1911/+1992) kennen en huwt met haar op 21 februari 1940 te Amsterdam. Dit huwelijk zal het juiste blijken en zijn verdere leven stand houden.

Het echtpaar gaat niet in zijn huis aan de Torenlaan in Blaricum wonen, maar koopt een flat in de Amsterdamse Stadionbuurt: Jasonstraat 46/I. Hier blijven zij –zo goed en zo kwaad het ging- gedurende de oorlogsjaren wonen en hier wordt ook op 22 mei 1946 hun zoon Lodewijk Willen IV (Louk) geboren.

 

In 1937 werd Lody door een oliefabrikant uit de Zaan benaderd voor een bedrijfsjubileum een zilveren model van hun oude windmolen te maken. Deze opdracht wekte zijn interesse op voor windmolens en dit vormde de aanleiding tot het in potloodschetsen vastleggen van een groot aantal exemplaren. Dit groeide zodanig uit, dat hij binnen enkele jaren een collectie van 150 schetsen had gemaakt. Deze serie heeft hij gedurende de oorlogsjaren van bijbehorende tekst voorzien en tot een compleet manuscript uitgebouwd. Het omvat een overzicht van alle typen windmolens welke in Nederland nog bestaan of bestaan hebben.

 

Na het achtereenvolgens binnen enkele jaren overlijden van zijn oom Pieter Christoffel in 1945, zijn moeder in 1946, zijn vader in 1949 en zijn zuster Guus in 1950, erft hij als enig overgeblevene het huis aan de Kerkstraat 150 met het goud- en zilversmidatelier. Hij laat dit pand nu door een grondige verbouwing geheel aan de eisen van deze nieuwe naoorlogse tijd aanpassen, waarbij echter het juweliersbedrijf wel als z.g. “gesloten huis” gehandhaafd blijft (er wordt dus geen winkel van gemaakt).

Vervolgens verkoopt hij eerst de flat in de Jasonstraat in Amsterdam Zuid en enige jaren later ook het huis aan de Torenlaan in Blaricum.

 

Door een zenuwontsteking in zijn rechterarm stopt hij begin jaren vijftig –op advies van zijn vertrouwensarts en vriend Willem Brunet de Rochebrune- abrupt en volledig met de fabricage van gesmeed zilverwerk. De hierop volgende jaren, tot het einde van het bestaan van de firma in 1970 houdt hij zich nog slechts bezig met het ontwerpen en de vervaardiging van exclusieve juwelen, veelal ook in het dan nieuwe metaal palladium.

 

In 1958 laat hij een huis bouwen in de omgeving van De Koog op het waddeneiland Texel.

Hierheen verhuist het echtpaar definitief in 1965 als zij het huis in de Kerkstraat in Amsterdam verkopen.

Rentenieren bevalt hem echter niet en dus koopt hij in 1966 het pand Binnenburg 12 te Den Burg op Texel. Dit is eveneens een antiek pand en hier zal hij –na een ingrijpende verbouwing- nog vijf jaar het juweliersbedrijf voortzetten.

Eind 1970 valt dan echter definitief het doek voor de ruim 100 jaar firma. Het zakenpand wordt verkocht, net als de bungalow in De Koog en het echtpaar vertrekt naar het Zuid-Duitse Baden-Würtemberg, waar het nog twee jaar neerstrijkt in Reichenbach bij Lahr.

Hier begint hij weer met tekenen en neemt een aanvang met het schrijven van zijn memoires. Ook sorteert hij al zijn etsen en andere teken- en schilderwerken opnieuw. Daar zijn gezondheid echter zeer snel achteruit gaat komt het nog slechts tot enkele losse geschreven stukken en de etsen worden hergenummerd, waarbij –zoals later echter zal blijken- geweld wordt aangedaan aan de chronologie.

 

Daar hij geen vertrouwen heeft in de Duitse artsen, besluit hij in september 1972 naar Nederland te reizen en zich bij zijn oude vriend en huisarts Willem Brunet de Rochebrune te laten onderzoeken. Deze ziet ogenblikkelijk de ernst van de situatie in en laat hem direct opnemen in het Prinsengrachtziekenhuis in Amsterdam. Hier overlijdt hij anderhalve maand later, 69 jaar oud, op 28 november 1972.

Daar hij zich slechts een vrij korte periode van zijn leven intensief met etsen heeft bezig gehouden en hier nooit van hoefde te leven (hij heeft deze slechts in oplagen gedrukt en uitgebracht van 6, 12 of 24 stuks), geniet hij als grafisch kunstenaar bij het grotere publiek nauwelijks bekendheid.

Onder kenners staat hij met zijn etsen echter vooral vanwege zijn excellente techniek hoog aangeschreven.

Zijn grafisch oeuvre omvat ongeveer 100 etsen, waarvan nog een aantal originele afdrukken, gesigneerd en gedateerd in het bezit van de familie zijn.

Bovendien beschikt de familie over een groot gedeelte van de koperen etsplaten, welke door de zeer geringe hoeveelheden gemaakte afdrukken grotendeels nog van excellente kwaliteit zijn en waarmee voor speciale gelegenheden nog geringe nieuwe afdrukken kunnen worden gemaakt.

Zoals voor het Duitse vaktijdschrift Graphische Kunst, uitgegeven door Curt Visel Verlag te Memmingen.

Dit tweemaal jaarlijks verschijnende exclusieve tijdschrift op het gebied van grafische kunst en –kunstenaars, heeft in haar eerste nummer van 1995, dat begin mei is verschenen, een artikel over Lody van Kooten opgenomen. Dit werd aangevuld met een originele nadruk van een van zijn etsen, in een oplage van 185 stuks, vervaardigd door zoon Louk van Kooten voor enkele speciale abonnee’s.

 

Naast de inmiddels grote bekendheid, welke hij met zijn specifieke zilverwerk heeft weten te vergaren, kan zijn etswerk zeker als een “trouvaille” worden beschouwd.